Diversen

When people ask me what the key ingredients are for running a successful coaching programme or being successful with a team or group of players then I always talk about “The Big Three”.  Getting the Big Three right sets you up for success…sooner or later.By Tjitte Weistra, Badzine Special Columnist.  Photos: Badmintonphoto1. Coaching PhilosophyWhy do you coach?  What do you believe in?  A coach must have a very strong coaching philosophy and must be able to connect with that philosophy every day.  The players you coach need to understand your philosophy and they too need to connect with it.  A coach with a strong coaching philosophy will display passion and be motivated to help players in every way they can.Ideally you can put your philosophy into words and write it down so it becomes almost a tangible resource for your daily activities.  It may take time to convert your philosophy into words.  I took me quite some time, as a coaching philosophy gets created mainly through a large number of experiences, both positive and negative.Key questions to ask yourself: Why do I coach? What do I believe in?  Does this transpire into my daily approach to coaching?2. EnvironmentIf players had the opportunity to describe the environment in which they train every day or several times per week what would you want them to say?  I don’t believe that coaches and players have to be friends; on the contrary, I think they shouldn’t be, but there needs to be a relationship which does extend beyond the badminton court and the gym.Players need to know/feel that as a coach, you show a genuine interest in their “off-court” life and the challenges they face.  Players needs to know that every time they step into the badminton stadium that you, the coach, are happy to see them and that you are ready to make a difference in their development as an athlete and as a person each single day.  Athletes only grow as athletes if they grow as persons and as a coach you play a crucial role in their development both on and off the court.So without being their closest friend, you are the goto person when they have problems because they can trust you and they value your opinion.Key questions to ask yourself: Am I setting an environment in which players are challenged and motivated? Does the environment foster personal development?  Do players feel they can come and talk to you?3. PathwayPlayers who cannot see a pathway are likely to drop out.  A pathway needs to be clear, visible and tangible.  Goals determine a pathway and a pathway sets the journey towards those goals.  If the pathway is not clear, then players can become frustrated or bored.It is crucial that players know how the pathway works and what they need to do to move up the pathway.  A pathway also requires transparency so players know when coaches are evaluating players and are making changes to their selected squads / teams.  Players who do not understand what the criteria or reasoning is behind selection are likely to drop out as well because they get frustrated.Key questions to ask yourself: What is the pathway within the coaching programme I run or the coaching programme I’m part of?  Is the pathway visible to players, is it written down on paper and displayed?  Do players understand the pathway?  Is the pathway being applied using a transparent process?Sinds mijn verandering van speler naar trainer heb ik lopen worstelen over de vraag hoe je nu kinderen beter kan maken.Het viel mij al snel op dat jeugdtrainingen in Nederland onder de noemer “eenheidsworst” geschaard kunnen worden. Nu heb ik de wijsheid ook niet in pacht, maar ik kan redelijk goed het probleem zien, maar voor echte oplossingen zullen andere mensen aan het werk moeten. Wat ik dus denk is dat veel meer mensen moeten gaan meedenken en “het beleid” niet moeten overlaten aan een handjevol mensen. Ron Daniels heeft natuurlijk al heel veel geschreven en natuurlijk ben ik daardoor beïnvloed.Een opmerking die mij is bijgebleven: spelers worden nog steeds goed, ondanks hun trainers. Een waarheid als een koe zo is mij inmiddels gebleken en ik begin mij er steeds meer aan te ergeren. Niet altijd aan de trainers, maar meer aan de manier waarop er getraind MOET worden. Het trainen zoals dat bepaald is sinds jaar en dag. Op dezelfde manier trainen we nog zoals ik 40 jaar geleden trainde. En toen ik dat doorhad, is dat echt wel schrikken!. Met enige interesse en wat talentvolle spelers zit je in Nederland al snel aan je plafond. Ik denk niet in hokjes en mijn belang is een sterkere en bredere top te zien. Ik hoor echter toch heel veel signalen die mij (en vele anderen) niet echt vrolijk stemmen.KampenAls ik hoor dat een speler weer voor niks naar Papendal is geweest, wordt ik enigszins kwaad. Veel uren kwijt en niks geleerd. Dure tijd die anders besteed had kunnen worden. Voor mij persoonlijk is het eigenlijk meer een gevoel van onmacht, omdat ik er kennelijk anders over denk dat die andere personen, maar (nog) niet voldoende tijd heb om mij volledig in het badminton te storten. Ik ben niet de enige die zo denkt. Ik voel mij gesteund door vele opmerkingen van ouders en van (jeugd) spelers, maar de meesten zitten inmiddels zo verstrikt in het BNL-Yonex netwerk dat ze niet meer openlijk voor hun mening durven uit te komen en maar doormodderen. Er zijn te veel heilige huisjes en iedereen wil iets te zeggen hebben. Ook willen we vooral geen informatie delen, want stel je voor dat speler X beter wordt dan mijn pupil. Ik zie dat toch echt helemaal anders, maar ja, ik zit dan ook (helaas) in het kamp Daniels.Niet vanwege Ron, dat “helaas”, maar vanwege het feit dat ook dit aangeeft dat we in kampjes denken en andere personen mij indelen (en Henri en Roel en Fred enz…). Ik probeer mijn eigen dingen te doen en te laten zien hoe we aan de slag zouden moeten. Dingen waar IK zelf achter sta. Ik weet niet alles, sterker nog, ik kom net kijken, maar ik wil wel altijd zoveel mogelijk kennis vergaren. Ook ik vind het niet leuk als iemand anders zegt dat mijn pupil het anders zou moeten doen. Ik vind dat niet leuk omdat ik daar zelf dan niet op ben gekomen en dus wil ik daar over praten en samen naar een oplossing zoeken. Badminton is een gecompliceerde sport en succes is vaak afhankelijk van hele kleine aanpassingen.SpreekbuisFrustratie alom, maar hoe kom je eruit? Ik denk zelf ook niet alle wijsheid in pacht te hebben, verre van dat. Ik wil dat benadrukken, anders kom ik weer in het “wijsneuzenkamp”; 1 kamp vind ik wel voldoende. Het enige dat ik wil is gewoon lekker training geven en talenten opleiden, maar zelfs dat wordt gewoon heel moeilijk binnen ons verstikkende badmintonklimaatje. Ik wil dus voor deze mensen graag als spreekbuis fungeren, want op deze manier loopt het helemaal spaak en komen we nergens. Ik hoop echter dat bestuurders nu eindelijk eens gaan inzien dat de manier waarop we nu trainen hopeloos verouderd is en dat er heel snel veranderingen doorgevoerd moeten gaan worden.Nu weet ik weinig van (badminton)politiek, maar toch vraag ik me steeds vaker af waarom dingen niet veranderd worden en we maar blijven doorgaan binnen dit wereldje met dezelfde gezichten en dezelfde maniertjes. Ik snap ook wel dat veel gedragen moet worden door kleine groep mensen omdat niet iedereen altijd maar tijd en zin heeft, maar toch zijn er diverse zaken die moeten veranderen. Ik wil mij nu alleen richten op talententraining! Daar word ik namelijk dagelijks op een meer of mindere mate op een negatieve manier meer geconfronteerd. Daarom wat punten en dan kan iedereen er op schieten in de hoop dat er misschien iets gaat veranderen.Een aantal overdenkingen1 Er moet meer geld en faciliteiten komen voor de jeugdontwikkeling2 Jeugdopleiding moet geheel op de helling3 Er moeten meer kundige trainers worden gezet op minder spelers4 Met talenten moet je al heel snel een individueel traject ingaan5 De eerste focus moet liggen op techniek en voetenwerk6 Er moet meer 1 op 1 getraind worden7 Er moet meer met de omringende landen worden uitgewisseld8 Selecties OK, maar ga er anders mee omAd 1 “Lijkt me logisch”, zou Cruijff zeggen. Dat is een basis waar we vanuit moeten werken. Als je bij de jeugd gaat bezuinigen, loopt het spoor al snel dood. Ik denk dat ik hier niet al te veel over hoef te zeggen, maar dat het hier wel mee valt of staat.Ad2 Qua opleiding zou er veel moeten veranderen. We zouden met deeldiploma’s moeten gaan werken, techniek, tactiek, voetenwerk, senioren, jeugd, nou ja vul maar in. Er zouden voor alle deeldiploma’s ervaren docenten moeten worden opgetrommeld of moeten worden opgeleid. Ook zou hier veel aandacht moeten worden besteedt aan hoe we kinderen meer zelfstandig kunnen maken. Nu zien ze de trainer nog steeds als de grote baas, die zegt wat er gebeuren moet. Ze moeten bijvoorbeeld veel meer zelf gaan doen en daarvoor moet je ze discipline aanleren. Pak shutlles, denk na en ga zelf aan de gang; de trainers sturen bij.Ad3 Steeds dezelfde trainers op een grote groep? Zoals nu 1 trainer op een grote groep talenten. Werkt niet zo blijkt. Ten eerste leg je heel veel macht bij 1 trainer die jarenlang op die positie zit. Spreek je hem tegen, krijg je geheid problemen. Niet voor niks reageren veel ouders anoniem en dan nog heel voorzichtig. Te zot voor woorden toch. Ten 2e; in de dagelijkse praktijk doen ze standaard elke keer weer dezelfde dingen en kunnen niet van alles verstand hebben. Dat gaat jaar in jaar uit zo door. De toptalenten staan zich vaak te vervelen en trainen op 60% van hun kunnen. Je zou er een 2e of 3e trainer op moeten zetten die zich met andere zaken gaat bezighouden. Verandering van spijs doet eten, toch? Je zult ook de nodige differentiatie moeten aanbrengen in de groep en een meer persoongebonden training moeten aanbieden. Niet iedereen is hetzelfde!Ad4 Eigenlijk een voortvloeisel uit 3. Er zijn talenten die gewoon boven de rest uitsteken. Deze talenten moeten veel sneller herkend worden en daar moet je direct een apart traject voor uitstippelen. Het is net als school: laat ze maar 1 of klassen overslaan. Ze moeten zich zeker niet gaan vervelen. Dat vraagt om kundige trainers of spelers die kunnen herkennen wat ze zien.AD5 We moeten stoppen met hoeken en diagonaaltjes lopen alvorens voetenwerk en techniek daarbij kunnen aansluiten. Tot op nationaal niveau rennen en huppelen we maar door met allerlei soorten pasjes en hebben de meeste spelers nog steeds geen enkel idee wat ze nu eigenlijk met hun voeten en armen doen op de baan. Zelfde met techniek. Eerst beginnen met allerlei soorten technische oefeningen. Dat vergt ook een aanpassing aan het denken van de spelers. Niet langer alleen maar stomweg doen, maar leren meedenken waarmee je bezig bent. Ad6 Ook weer een voortvloeisel uit voorgaande punten, maar belangrijk genoeg om apart te vermelden. Sommige dingen moeten 1 op 1 worden getraind. Dit kan o.a. door MSF (multishuttle feeding) maar ook door gesprekken en uitleg over techniek, mentaliteit etc. Sommige kinderen zijn daar heel ontvankelijk voor en daar moet je gebruik van maken. Talenten moeten ook heel snel kunnen en mogen aangeven wat zij willen. De trainer moet daarin adviseren en zeker niet de doorslaggevende factor zoals nu het geval is. We denken nog te vaak dat wij diegenen zijn die een beslissing moeten nemen. Laat kinderen zelf ervaring opdoen. Hoe eerder hoe beter. Waarom kinderen hun lol ontnemen door te zeggen dat zij bepaalde disciplines niet mogen spelen, terwijl zij daar zelf heel andere ideeën over hebben. Zeker U-13 en U-15 moet je veel spelen en daarin plezier hebben. Ja en dan inderdaad maar eens met een andere partner.Ad7 Wat als je geen geschikte partner binnen Nederland kan vinden? Op die manier kan de ontwikkelingen totaal stil komen te staan. Er zijn altijd kids die gewoon te goed zijn voor hun leeftijdklasse. Nu modderen ze maar aan en sturen op die manier hun partners wel, maar zelf zijn zij bezig gaten te dichten. Nee dit soort kinderen zou een buitenlandse partner moeten kunnen vinden zodat zij een aantal keren per jaar een toernooi zouden moeten spelen. Hier leren zij ongetwijfeld meer van. Wij denken nog te eng en willen alles dicht bij onszelf houden. In Nederland zouden we dus zelf ook meer kampen al Oro moeten organiseren. Verenigingen zouden meer de koppen bij elkaar moeten steken.Ad8 Wat nu met talentvolle kinderen die niet bij de nationale selectie willen of niet bij een academie willen spelen of kunnen spelen omdat zij andere ideeën of prioriteiten hebben. Nu worden koppels samengesteld van alleen kinderen uit de selectie. En die selectie’s wordt steeds smaller! Verminder de selectiedruk en laat gewoon toe dat kinderen uit de selectie ook eens gaan spelen met andere kinderen. Als bepaalde kinderen een klik hebben en gewoon de besten zijn, laat je ze toch niet met “mindere” (sorry) partners spelen? Ook hierdoor haal je niet het maximale rendement uit hun spel.Tijd voor veranderingWel, ik heb zomaar wat punten aangegeven waar wij regelmatig over aan het praten zijn en die dus spelen binnen Nederland. Er zullen ongetwijfeld een hele hoop praktische bezwaren zijn, maar in de 40 jaar waarin ik badminton, is er wezenlijk nooit iets veranderd. Ik denk dat het nu wel eens tijd gaat worden om iets te gaan veranderen.Ik hoor graag andere meningen. Misschien ben ik wel helemaal niet realistisch en zit een beetje te dagdromen. Iedereen zou echter moeten zien dat er iets moet gebeuren, toch? Misschien is het wel handig om verspreid door Nederland wat “simpele” badmintonaccommodaties neer te zetten met 5 banen of zo. Het hoeft niet duur en luxe, als er maar getraind kan worden en het enigszins centraal gelegen is. Ik durf te wedden dat deze dagelijks volgeboekt gaan worden.Rene Sehr

Goed slapen is goed trainen

Marc Gerlings – 15 juni 2011

Goed slapen is goed trainen. Je hebt ontspanning nodig om optimaal de inspanning aan te gaan. Goed slapen ná een training helpt je om weer snel te herstellen. Mooie nachtelijke dromen vormen een wereld van verschil voor de hardloper die stevig traint. Zaag die bomen maar door in de nachtelijke uren. Na hard werken is het goed rusten; zo klinkt het spreekwoord. Sport, werk en al dat andere dat er bij komt kijken, stress ligt op de loer. Dan moet je wel die rust inbouwen. Een ideale nachtrust helpt bij nog meer zaken; bijvoorbeeld om jezelf tot een slanke hardloper te maken.

Achteloos
‘Slaap, ach ja dat is wat je doet als je niet met andere dingen actief bent’. We gaan achteloos om met onze nachtrust. Een soort van overbodige luxe. We werken hard, we sporten stevig en de nachten zijn daarom vaak aan de korte kant. Ongeveer een derde van onze tijd brengen we slapend door. Tenminste als we het goed doen. Dat slaap goed is blijkt uit diverse onderzoeken. Tijdens de slaap worden lichamelijke processen in gang gezet die ons als sporter helpen. Slaap ondersteunt de output van je training.

Ritme 
Kijk naar adviezen van trainers aan lopers, of naar het gedrag van wielrenners tijdens de Tour de France. Sporters hebben voordeel bij een goede nachtrust maar dan vooral een nachtrust met een goed ritme. De ene avond om negen uur ’s avonds in je bed liggen en daarna twee nachten doorhalen is niet ideaal.

Die belangrijke wedstrijd komt er aan
Ben je bezig als recreant met een belangrijke wedstrijd, neem dan een vast ritmeaan. Stel je gaat voor die halve of hele marathon zorg dan voor een ritme tijdens de week voor je grote wedstrijd. Of liever nog wat eerder. De rust die je daar uit haalt kan een wereld van verschil maken op de dag van de wedstrijd.

Er zit een groot verschil in het aantal uren dat een loper wil slapen. De ene marathonloper heeft genoeg aan acht uur terwijl de ander meer dan negen of tien nodig heeft tijdens de zwaarste trainingsweken. Bij andere zware duursportevenementen zie je dat de behoefte aan slaap groot is. De renners in de Tour maken graag nog wat meer dan acht uur slaap per nacht. Daarbij passen ze de truc toe om op vaste tijden naar bed te gaan. Drie weken lang iedere dag koersen voor een topplek is een vermoeiende inspanning. 

Klaar voor actie… slaap
De truc met het vaste slaapritme is dat je weet wanneer je moet gaan slapen. Je raakt er aan gewend en het vaste tijdstip is een van je hulpmiddelen om in slaap te komen. Stel dat je iedere avond om half elf in bed ligt dan is dat tijdstip het signaal om in slaap te vallen. Het lijkt een beetje op trainen, maar dan voor de perfecte nachtrust.

Een rustige en een donkere omgeving om in te slapen zijn ook hulpmiddelen om makkelijk in dromenland te komen. Net als een vast avondritme voordat je naar bed gaat en weinig inspanning vlak voor je gaat slapen. Dan kunnen al die herstellende processen optimaal hun gang gaan. Vooral tijdens de diepe slaap, de REM-slaap, is je lijf optimaal bezig met het herstel, melden de onderzoeken.

Goede nachtrust lijkt nog een voordeel te bieden voor de loper die met wat minder lichaamsgewicht wil rondlopen.

Lichtere hardloper
Goede slapers kunnen hun stress beheersen. Zij verliezen makkelijker gewicht dan mensen die te weinig of teveel slapen en erg gestresst zijn. Dat blijkt uit onderzoek in de Verenigde Staten gepubliceerd in het International Journal of Obesity. De wetenschappers volgden gedurende 6 maanden 472 obese mensen (BMI boven 30) die wilden afvallen. Ze moesten per dag 500 calorieën minder eten. Ook moesten ze regelmatig sporten (minstens 3 uur per week) en groepssessies bijwonen. Na 6 maanden was het gemiddeld gewichtsverlies 6,3 kilogram.

8 uur maximaal
De proefpersonen die precies genoeg sliepen (tussen 6 en 8 uren), vielen meer af dan de mensen die teveel (meer dan 8 uren) of te weinig (minder dan 6 uren) sliepen. Ook stressbeheersing bleek te helpen. Proefpersonen met weinig stress die voldoende sliepen bleken tot de helft meer succesvol te zijn in hun afslankpoging. TV-kijkgedrag bleek geen invloed te hebben op het gewichtsverlies.

Volhouden
Daarmee is niet aangetoond dat te veel of te weinig slapen of teveel stress obesiteit in de hand werkt, wél dat een goed slaappatroon en weinig stress helpt om een vermageringsregime vol te houden. Deze resultaten wijzen erop dat een evaluatie van slaappatronen en het niveau van stress voorafgaand aan een vermageringskuur nuttig is. 

Slaap lekker en train goed.

Marc Gerlings voor ProRun©

De studie naar overtraining is volgens psychologe Jolanda Roose tot nog toe voornamelijk gericht op volwassenen, en dan ook nog eens alleen op het fysiologische aspect. Maar hoe zit het dan bij topsportende kinderen? Welke fysiologische en psychosociale indicatoren zijn voor elf- tot negentienjarige topsporters te gebruiken voor het vroegtijdig herkennen van overtrainingsverschijnselen? “Omdat de groei bij kinderen een bemoeilijkende factor is, gaat men onderzoek bij deze populatie uit de weg,” veronderstelt Roose.

Bij onderzoek onder volwassen (top)sporters wordt volgens haar de fout gemaakt dat te veel het accent wordt gelegd op trainingsvolume en -intensiteit. “De stelling dat overtraining wordt veroorzaakt door de trainingsbelasting getuigt van een te beperkt gezichtspunt. Zelden worden stressoren buiten de training of wedstrijden betrokken in onderzoeken naar overtraining.” Roose deed daarom zelf onderzoek onder jeugdige topsporters en bekeek daarbij een seizoen lang de waarden van cortisol, groeihormoon, testosteron en de afweerstof IgA in het bloed, plus de psychosociale eigenschappen van de groep.

“Alles al bekend”

Het zou atletiektrainer Henk Kraaijenhof verbazen als het onderzoek van Roose nieuwe gezichtspunten oplevert. Over overtraining is volgens hem al genoeg bekend. “Laten we eerlijk zijn: we weten op dit punt toch al alles. Het wiel hoeft niet opnieuw uitgevonden te worden. Ik bel toch ook niet naar het KNMI om te zien wat voor weer het is? Ik kijk gewoon naar buiten.”

Zo zegt Kraaijenhof overbelasting bij een atleet op een kilometer afstand te herkennen. Maar dat geldt niet voor al zijn collega’s. “Veel coaches willen of kunnen de symptomen niet herkennen. Ik heb de indruk dat er wel voldoende kennis is, maar dat daarmee in de praktijk te weinig gebeurt. Ze zoeken factoren elders, als het misgaat. Iedereen weet hoe het moet, maar handelt daar niet naar.”

“Net zoals iedereen weet dat het niet verstandig is om met twintig biertjes op achter het stuur te gaan zitten, maar het gebeurt wel. Als ik aan een volle zaal vraag: ‘Wie eet er gezond?’, steken ze allemaal hun hand op. Maar laboratoriumtests zouden anders uitwijzen, dat weet ik zeker.”

Kraaijenhof onderkent dat het risico van overbelasting in de topsport levensgroot aanwezig is. “Ten eerste heb je te maken met de druk die de sporter zichzelf oplegt. Dan heb je de medespelers of, zoals in de estafette, de medelopers. Wie verder nog? De trainer, de ouders – zeker in het geval van jongeren spelen die een grote rol -, de bond, de bondscoach, de media, sponsors, managers. Het is dus geen wonder dat het wel eens misgaat. Elk decennium neemt het aantal stressoren toe. Het is zaak om de sporter daarvoor af te schermen. Dat is op de eerste plaats de taak van de trainer/coach.”

“Kunstfout”

Kraaijenhof noemt het een ‘kunstfout’ als een trainer het toch zo ver laat komen dat een pupil overtraind raakt. “Het hoort niet bij de regels. Net zoiets als een wijnhandelaar die de wijn zuur laat worden. Elk beroep heeft zo zijn spelregels. Overtraining hoort niet meer van deze tijd te zijn. Toch gebeurt het nog keer op keer: atleten die wedstrijden missen door blessures. De meeste sporters gaan harder trainen terwijl er nog progressie is. Een schepje erbovenop kan altijd nog. Wil je soms een gouden medaille voor wie het hardst kan trainen? Je kunt lang progressie boeken door bijvoorbeeld te variëren in de training en te letten op voeding.”

“Bij jongeren is overtraining des te erbarmelijker. Schandalig als je sporters op die leeftijd over de kling jaagt. Jongeren hebben toch al veel non-training-stressoren: school, ouders, groei, vriendinnen, huiswerk. Met al die factoren heb je als begeleider rekening te houden. Helemaal vreemd is het als een jongen die nog niet eens goed een bal kan aannemen, overtraind raakt. Van techniektraining word je niet bepaald overstressed. Zeker met een kleine groep sporters moet je er als begeleider alles aan doen om overtraining te voorkomen. Train zoveel als nodig is, niet zoveel als mogelijk is. Dat is een gouden regel. Wat je vaak ziet, is dat, wanneer de resultaten tegenvallen, de trainer er een schepje bovenop doet. Zo van: “Dan kunnen ze in elk geval niet zeggen dat we lui zijn geweest.”

Sympathicus en parasympathicus

Kraaijenhof verwijst naar een klassiek onderzoeksartikel over het autonome zenuwstelsel en overtraining uit 1976, uit de voormalige DDR. “Autonoom wil zeggen: zelfstandig. Aan blozen, wit wegtrekken, hartkloppingen kun je niets doen. Dat zijn autonome verschijnselen. Er worden twee takken van het autonome zenuwstelsel onderscheiden. De eerste bereidt je voor om te vechten of om te vluchten. Dat is de arbeidskant van het autonome zenuwstelsel, ook wel sympathicus genoemd.”

“De tweede tak, de parasympathicus, is het rempedaal. Die zorgt ervoor dat de hartslag zakt naar normale waarden. Als deze twee takken continu in dysbalans zijn, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je raakt uitgeput of je bent hyper, over de rooie. Het eerste kwam in het onderzoek voor bij duursporters, het andere bij explosieve sporters, zeg maar sprinters. Alsof je met een baksteen op het gaspedaal rijdt, terwijl de remkabels doorgeknipt zijn, dat idee.”

“Ik zie overtraining ver van tevoren aankomen. Door te testen en te meten. Het kost twee minuten per atleet, je hoeft er zelfs geen bloed voor af te nemen. Je meet via de hartslag. Daarvoor bestaat een apparaatje. Op den duur heb je dat niet meer nodig. Je moet als trainer niet de slaaf worden van een apparaat; dat zou ook fout zijn.”

Meer onderzoek nodig

Fysioloog dr. Hans Keizer is het niet eens met Henk Kraaijenhof dat alles al bekend is over overtraining bij jonge topsporters. De voormalige atletiekbondscoach moedigt verder onderzoek aan, al is er al wel het nodige over dit onderwerp bekend uit de literatuur. “Een van de belangrijkste symptomen van overtraining is dat de productie van groeihormonen helemaal wordt platgelegd”, vertelt Keizer. “Het beste bewijs dat er overtraining in het spel is als er een soort catch-upgroei plaatsheeft op het moment dat een sporter geblesseerd raakt. Ook in het geval van het volledig uitblijven van de menstruatie bij jonge atletes durf ik keihard te stellen dat er overtraining in het spel is.” Een andere ‘bijwerking’ is het niet goed verlopen van de verbening.

Kenmerken van overtraining worden door begeleiders onvoldoende onderkend, vindt Keizer die zitting heeft in een internationale werkgroep die zich speciaal bezighoudt met overtraining. “Probleem is dat een aantal symptomen zo sluipend is, dat je ze niet ziet. Want wie kan vertellen hoe snel iemand moet groeien? Dat weet je pas als de overbelastingsprikkel wegvalt. Als je elke dag omgaat met een sporter die gewoon groeit, kun je niet zien of de groei minder is dan wanneer die sporter niet zo zwaar zou trainen. Daarvoor moet je botkennis hebben.”

“Ik ben het wel met Kraaijenhof eens dat bij volwassenen een goede trainer overbelasting moet kunnen voorkomen. Maar bij jongeren zijn daarvoor geen eenduidige signalen. Het is een heel pluriform gebeuren. Je moet allerlei parameters in de gaten houden.”

Structurele schade zeldzaam

Het risico dat een jeugdige topsporter structurele schade oploopt door overbelasting acht Keizer niet zo groot. “Hoewel er wel voorbeelden bekend zijn uit het turnen. Topsport is per definitie extreem, maar kinderen zijn heel goed belastbaar. Maar ook extra gevoelig voor overbelasting, vanwege de groei. Overigens moet je niet alleen bij turnen waakzaam zijn. Ook middellangeafstandslopers en wielrenners moeten opletten dat ze niet te mager worden. Dat duidt op problemen. Zo kan de steroïde huishouding ontregeld raken.”

Late menstruatie en een onregelmatige cyclus duiden op overtraining bij vrouwen. Keizer: “Dan wordt er door de trainer gezegd: “Dat hoort bij haar.” Maar hoe weet hij dat? Ik heb nooit meegemaakt dat een trainer een moeder vroeg naar de regelmatigheid van haar cyclus, want het is iets wat erfelijk bepaald is. Stressfracturen duiden eveneens op overtraining. Die horen namelijk helemaal niet bij die leeftijd. Ook niet bij sporters tussen de twintig en dertig jaar. Dat is overbelasting, punt uit.”

 Overmatige stress funest

Keizer: “In de zwemsport hebben Oost-Duitse cardiologen onderzocht of overtraining schade aanricht. Hun conclusie was dat dit in elk geval niet het geval was voor het hart en de hartcirculatie. Het houdings- en bewegingsapparaat konden wel duidelijk worden beschadigd. En als je het helemaal verknalt, kan zelfs het neuro-endocrine systeem (de wisselwerking tussen hormonen en zenuwen in de hersenen) een flinke klap krijgen.”

Keizer heeft daar zelf onderzoek naar gedaan. “Er zijn voorbeelden genoeg van topatleten die opeens stukken minder presteren. Altijd na een periode van overmatige stress. Bijvoorbeeld omdat ze de hele wereld overvliegen en continu tijdsbarrières moeten slechten en ondertussen toch doortrainen en wedstrijden afwerken. Dat betekent een continue productie van stresshormonen, die het afweersysteem onderdrukken. Het gevolg is verzwakking van de spieren en dan kunnen er rare dingen gebeuren. Zoals een totale ruptuur van de vierkoppige dijbeenspier.”

“Stresshormonen heb je nodig om te presteren,” vervolgt Keizer. “Maar als de hormoonspiegel continu hoog blijft, heb je de poppetjes aan het dansen. Blijvende beschadiging van de hartspier is dan niet uitgesloten. Een buitengewoon vervelende situatie. Alleen wordt dat niet gauw herkend als vorm van overtraining, omdat de diagnose moeilijk te stellen is.”

Opzet van het onderzoek

Volgens psychologe Jolanda Roose zijn drie uitgangspunten van belang als het gaat om overtraining in topsport bij kinderen.

1. Overtraining kan slechts marginaal worden bestudeerd aan de hand van kortdurende inspanningsfysiologisch getinte studies. Het proces dat leidt tot overtraining wordt mogelijk door andere mechanismen bestuurd dan door excessieve inspanningen.

2. Overtraining wordt veroorzaakt door de totale hoeveelheid stressoren en de omgang hiermee van het individu.

3. Herstel in de slaap speelt een centrale rol.

Dit is een aangepaste versie van het artikel dat in februari 2002 werd gepubliceerd in het blad Coachen.
COACH’S NOTEBOOK – What do you mean by potential?van Badzine.net door Tjitte Weistra

juniet-tran-005-ar-francejeunes2008

I hear it being said so often, “he or she’s got a lot of potential” or “that player is very talented”. But what does potential or being talented actually mean?

By Tjitte Weistra, Badzine columnist.  Photos: Badmintonphoto

What are people referring to when they make comments like those above? Is it because they are hitting the shuttle very nicely or because they are moving around the court without much effort? Is it because they can hit it very hard? Is it because they win lots of matches?

During a coach education course I once ran, I did an exercise during a junior tournament in which I asked the ten coaches in attendance to select the 10 players with the most “potential” of the tournament in the U13 age group. They could work together in groups or alone, it was up to them. They had 4 hours to get the job done and that was all the information they received. I did the same exercise and chose my 10 players. The next day when we got together again we discussed the lists of players from all the coaches and compared.

anne-tran-023-ar-francejeunes2008

Shock result…from all the players chosen on the coaches’ lists, only 3 were among the 10 on my list. 90% of all the players were on every coach’s list meaning that there was very little difference between the players that each coach had chosen. Surely there was something wrong with me right? Clearly I did not understand selection and what to look for. But then the debate started around why players were picked and I couldn’t help but disagreeing with them on all players except for the three on my list but then the reasons why I had put those three on my list were completely different from their reasons. So what are we looking for when “identifying” players?

The coaches had selected all their players based on pretty much two criteria. Whether they could hit the shuttle nicely (good technique) and whether they had won their games (results). Neither of those criteria were even considered on my list.

Here is what I looked at:

  • overall coordination of upper and lower body,
  • hand-eye coordination
  • speed of movement
  • body build
  • competitiveness (desire to win and did they get angry when losing)
  • instincts (tactical ability, can they read the game?)
  • off-court behaviour (how interested were they in playing badminton? Did they rush off to their game-boy or play with cell phones or were they always to be found with a racquet in their hand trying to scoop a free court for another hit)
  • parents (were they present at the event and, if yes, what information could I get, based on talking to them and looking at their behaviour and physical characteristics)
training-children-04-div-yn-sudirmancup2007

So what conclusion can you draw when looking at the above criteria versus the two criteria the coaches used? The criteria I used are hard to modify. A child, 12 years of age with bad coordination, slow, not competitive and seemingly not too interested in playing badminton but who happens to hit the shuttle quite nicely and because he/she is very powerful can win lots of matches because, well, at that age, a player can. But this player will be unlikely to ever succeed in becoming a good player.

Whether a player wins at age 12 and has nice technique is completely irrelevant.  It is merely a bonus. What’s relevant is whether they can be taught the right technique because they coordinate well, that they have base speed to keep up with playing badminton at an international level later on. That they hate losing and because of it are very competitive. That they are supported by their parents. That they have genetics which fit the modern profile of a successful badminton player. That they love playing badminton and would like to play, eat, sleep, drink and dream badminton all day long. Those are the ingredients of a successful badminton player.

training-children-15-div-yn-sudirmancup2007

Unfortunately lots of time, energy and (financial) resources go into kids that have “potential” because they look great and win everything at a young age. Coaches who would spend a bit more time on doing their homework could perhaps be more successful in training and coaching players to the international level. If next you are scouting for talent, try and use the below checklist before deciding whether it is worth investing (time, effort, energy and money) in a player:

  1. Movement Foundation – does the player coordinate well?
  2. Hand-eye coordination – Do they make contact with the shuttle even under pressure (reaction speed)
  3. Speed – does the player have enough base speed? Speed can only ever be improved by a marginal 15% so slow players will never be fast players.
  4. Body characteristics:  i) Tall or short? Can small/short players still be competitive in the way today’s game is played?; ii) Body weight? Lean? Some harmless little extra’s or seriously challenged?; iii) Genetics?
  5. Competitiveness – Desire to win? Fighting spirit (especially when losing)? Upset after losing?
  6. Badminton intelligence – Does the player “understand” the game? Does he/she see the gaps in the court and the weaknesses of the opponent?
  7. Off-court behaviour – interested in every aspect of badminton or does it look like they are “pushed” into playing where they would rather be doing something else? Can they always be found with a racquet in their hand and hitting or prefer to do other stuff. Can they never be found when their match is being called or are they prepared and aware?
  8. Parental support and background – Are the parents involved with badminton? Are they supportive of their child playing badminton? Do they understand what is involved? Would they still support their child if he/she becomes an elite athlete and academics might be affected? In countries where funding is an issue; can the family afford the cost of playing badminton at a high level?

Bonus:

  • Player already has nicely developed technique
  • Player is winning matches and tournaments
3929cible4

If you cannot tick most of the above 8 boxes then you will be challenged by it at some stage in the (near) future. Technique can be taught and winning too but as a coach we cannot have much impact on the 8 points mentioned. We can to a certain degree but it is quite limited.

So next time you are doing some Talent ID, see if the above is helpful. You may need to ask yourself some difficult questions. Is winning more important to you at that age than selecting the kids who may not be winning right now but will/could be in the future? It is hard, isn’t it?  Because the expectation out there will be that you actually select the winners, each and every time. Very few people see the bigger picture so there is an altogether different challenge for you in “educating” your environment.
Ultieme vorm van ontspanning


Veel mensen ervaren een nekmassage als de ultieme vorm van ontspanning. Helemaal waar.
Stress kan nekklachten veroorzaken, net als hoofdpijn. Die pijn kan trouwens ook verkrampte spieren als oorzaak hebben.

Hoe dan ook, soepele, knedende bewegingen langs de nek en uitwaaierend naar de punt van je schouders zijn uitermate rustgevend. Bovendien heeft Engels wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat – iets dat manueel therapeuten al veel langer beweren – een nekmassage ook bloedrukverlagend werkt. 

Dat zit zo. Neurologen in Leeds hebben onomstotelijk vastgesteld dat de nekspieren direct verbonden zijn met de nucleus tractus solitarius, een zenuw die een gebied in de hersenen bedient waar onwillekeurige processen – waar onze wil geen invloed op heeft – als bloeddruk, hartslag en ademhaling worden geregeld.

[6 januari 2011]
Runner’s World

Warm Up 1
It is very important to warm up and do it right!Why we are warming up. 

1. To avoid injuries 
2. Increase motivation 
3. Improve the ability to provide
The Warm Up Program:2 ½ minutes run in different ways. 
2 minutes gymnastic exercises. 
2 minutes strength exercises 
1 ½ minutes with a sprint race 
1 ½ minutes stretching 
5 minutes badminton games 

It is very motivating to have music to the warm up 

Examples of music:
Run: Michael Jackson – They Don’t Really Care About UsGymnastic exercises: Justin Timberlake – Cry Me A RiverStrength exercises: Madonna ft. Justin Timberlake – 4 minutes to save the worldStretching: John Mayer – Dreaming with a Broken Heart

Hello all

Through this thread I want to share what I have learned through the 22 years that I have been playing badminton at a competitive and social level. 

I am not a professional player nor do I claim to be an expert in what I’m about to advise but below are components that I have identified as important as they have helped me to optimise my condition and level of play over the years.

1. FITNESS TRAINING – the foundation to being good at any sport!

a) Core strength – building this up increases your overall strength, speed and power. You can improve this area by undertaking high intensity activities for short periods of time (aka anaerobic exercises) e.g. low repetitions of lifting heavy weights 
b) Endurance/stamina – build this up to ensure you are not out of breath so quickly! You can improve your endurance by undertaking aerobic exercises e.g. increasing repetitions of weightlifting but at a lighter weight or by setting yourself goals on the treadmill 
c) Flexibility – with all the lunges, jumps and stretching involved in badminton, DO not neglect this! Most gyms have a chart to show which parts of the body you can improve your flexibility. I suggest that you set and follow your own programme –even if it’s limited to certain parts of the body where you think should be developed the most.

** After training do cool down stretching exercises!! – The main aim of the cool down is to promote recovery and return the body to a pre exercise, or pre work out level. During a strenuous work out your body goes through a number of stressful processes. Muscle fibres, tendons and ligaments get damaged, and waste products build up within your body.

2. EQUIPMENT – getting the right equipment is essential in optimising your game.

a) Shoes – everyone has their preference. But you should look for the right thickness in the sole, width and durability.

Example 1: My feet are wider than most so I have pair of Yonex SHB200 for wider feet. I have a shallow arch (flat feet) too so I need more support and absorption so I’ve added Sorbothane insoles. In sum I feel more comfortable and impact resulting from lunging and jumping has been greatly reduced hence I feel less fatigued.

Example 2: My friend’s feet are normal width and he has a normal arch. He wears standard fitting shoes with a relatively thin sole as it is lighter and for more ‘feel’ and speed on the court.

b) Racket – No such thing as the best racket, no one size fits all! You should only buy the most SUITABLE racket for your style of play.

For example, I am an attacking type player playing from the baseline in doubles but I want some degree of control at mid court and net. My main racket is Yonex Arc 10, strung at high tension, the repulsion is very good. Conversely, as it ‘holds’ the shuttle for a nano second longer on impact. I have that extra time to play a more controlled shot. Other things to look at in a racket are;

i) Grip size – this can slightly affect the degree of control you have on your racket swing and whether you develop ‘tennis elbow’. If you have big hands its better I think to have a larger grip size e.g. Yonex UK come in standard G3 size, but as my hands are smaller than most I get my rackets from Asia where the grip sizes are smaller (e.g. G4 or 5). Also, be careful you don’t get a racket which has a small grip size as you might develop ‘tennis elbow’. 
ii) Grip – the more it grips the better. I personally prefer tacky grips 
rather than towel or dry grips
iii) Racket weight – generally rackets weigh between 85 to 89g 
(Yonex’s 3U). Along with factors such as racket material, string type and string tension, you should also find the right frame weight. Too light then you might lack power if you’re an attacking player, conversely, if it’s too heavy you might lack swing speed if you’re a front court player

3. PRACTICE TRAINING/PLAY – There are clubs that just play, some do a mix of badminton specific training (e.g. shadowing, shuttle runs and exercises that will help to improve certain movements). Make sure you’re aware of your needs i.e. playing socially or competitively, you should find the appropriate club to practice or play at. At the end of the session, as in Fitness Training

** Do cool down stretching exercises!!

4. BIOMECHANICAL/CHIROPRACTIC ASSESSMENT – If you’ve played badminton for a number of years and you’ve never had such an assessment I suggest you do so. Please READ on as this is commonly overlooked!!!! 

Such an assessment involves a complex evaluation of the feet, legs and body position whilst weight-bearing and non weight-bearing. Some people are more prone to musculo-skeletal related conditions caused by, for example, repeated incorrect movements during training over many years or not properly warming up before starting play or properly cooling down after play or exercise. For example, I had developed a number of problems which I was not aware of a number of years ago.

a) ‘Shoulder problem’ – I smashed a lot when I was younger to the extent that my arm came out of socket regularly for about a year (and when it did it the pain was excruciating!!). Ever since then my vertical reach (e.g. to smash, clear or drop) was limited to about 90% but as my reach declined gradually I didn’t know it was a problem until the chiropractor gave me corrective treatment and advice to help me recover.

b) ‘Feet pointing outwards’ – normally feet should be more or less pointing forward when you’re walking, running or standing. Mine was about 30 degrees pointing sideways. The source of the problem turned out to be biomechanical where in fact my hips were actually misaligned. I didn’t know this affected my footwork in badminton. After treatment my feet were straight. 

c) ‘One leg slightly shorter than the other!!’ – this was another biomechanical problem I developed when I was younger. This affected my general stability as more weight was borne on one leg. The chiropractor sorted this out for me and suggested exercises I can do to keep it this way.

My point is that sometimes you might not realise you have a problem until you go for an assessment. I got my problems sorted out and I’m playing better not because I’ve improved my technique but because 1) I can play steeper shots as I got my shoulder fixed and become much more stable as I got my hips and legs fixed. Increased stability means increased efficiency in movement and more energy to expend enhancing my overall game. 

SUMMARY

My advice is;

1) Train to increase your strength, endurance/stamina and flexbility
2) Get the right equipment according to your specific requirements and style of play
3) Attend appropriate the training or clubs depending on your needs
4) Go for regular health check ups to ensure you are in peak condition 

Happy playing!

Wai

 China….. (Richard de Visch Eijbergen); 12-05-07 Eind maart 2007 heb ik voor mijn werk een weekje doorgebracht in Shanghai. Deze stad is zusterstad van Rotterdam en het was nu tijd voor het uitwisselen van kennis en ervaringen op het gebied van sport, financiën en automatisering. Ook al ging ik voor de laatste twee mee, ik heb ook gesproken met Chinese collega’s uit de sportwereld.Nu ik er toch was, ging ik op zoek naar het geheim van de vele Chinese spelers die de wereldtop op badmintongebied domineren. En dat niet alleen dit jaar, maar al een aantal jaren. Ik zocht antwoord op de vraag hoe Chinezen (lees: bond en trainers) aankijken tegen de ontwikkeling van topspelers en tegen de manier hoe we in Europa met topsport omgaan. De persoonlijke ontwikkeling van een spelerDe Chinezen hebben een drang om alles onder controle te hebben. Alles was tijdens het bezoek tot op de puntjes geregeld. Een pluspunt is dat je weet waar je aan toe bent: een helder programma met een tijdschema waar strak aan gehouden wordt. Er zijn ook wat minpuntjes hieraan: echt flexibel wordt er niet gewerkt. Zo moest ik bijna hemel en aarde bewegen om even aan te schuiven bij de sportdelegatie. Deze drang om niets aan het toeval over te laten zie je terug in de sport. Al bij jongere kinderen wordt er geselecteerd op aanleg voor een bepaalde sport. De keuze van de sport begint dus met waar de kinderen goed in kunnen worden. Een andere keuze is er niet, in ieder geval niet met faciliteiten. Chinezen geloven dat de eerste stap naar persoonlijke prestaties bestaat uit erg veel bloed, zweet en tranen. De trainingen bestaan uit veel herhalingen van wat wij saaie oefeningen zouden vinden. Dit gebeurt wel in een enorm inzet, tempo en duur. Ook worden er in verhouding veel wedstrijden tijdens trainingen gespeeld. Van een speler die het niet redt wordt tamelijk eenvoudig afscheid genomen. Helderheid voor alles, namelijk.De lat ligt hierbij hoog, soms zelfs extreem hoog: een hoge service moet op de achterlijn vallen, een drop moet langs het net scheren, een smash moet een punt zijn.Al deze trainingsarbeid heeft natuurlijk een doel: het krijgen van meer dan voldoende basisvaardigheden. Zoals het woord ‘basisvaardigheid’ al aangeeft: je bent er dan dus nog niet. Het is alleen de noodzakelijke basis om te presteren. Tijdens wedstrijden moeten spelers op een ander niveau presteren: zij moeten zich volledig richten op de wedstrijd en het bestrijden van de tegenstander. Alle andere gedachten, bijvoorbeeld over de manier waarop je een slag uitvoert, je stappen zet of je basis verlegt leiden allemaal af van de wedstrijd. Niet handig, kan je alleen last van hebben. Een speler moet tijdens de wedstrijd ook niet aan randgebeuren denken: een tegenspeler die irriteert, de kans dat je de wedstrijd met nog drie punten hebt gewonnen of (nog erger) de kans dat je de partij met nog drie punten verliest. Het verhaal doet vermoeden dat de training erop gericht is om spelers de wedstrijden ‘op gevoel’, zeg maar intuïtief te laten spelen.Het rare is dat Chinese spelers tijdens wedstrijden creatief en onvoorspelbaar kunnen zijn, terwijl ze tijdens trainingen vooral standaard-oefeningen afwerken. Chinese spelers zie je in wedstrijden regelmatig van tactiek veranderen. Dat zie je bij tafeltennis en ook bij badminton. Het bestrijden van je tegenstander moet bijna letterlijk worden opgevat. Daar waar wij westerlingen het misleiden van je tegenstander soms zien als onsportief, vinden Chinezen het misleiden juist slim. Een standaard-werk dat ook bij ons in de boekwinkels te koop is, is ‘ De kunst van het oorlogvoeren’, twee duizend jaar geleden geschreven door Tzu Sun. het oorlogvoeren moet weer niet al te letterlijk worden genomen. Voor een wedstrijd tegen een Chinese speler zijn echt geen body guards nodig. Het geheimIk was op zoek naar het geheim en de grap is dat er eigenlijk geen geheim is.Wat kunnen we leren van de Chinese aanpak? Ik denk zelf niet eens zo veel nieuwe dingen. Dat je heel hard moet werken, wil je de top bereiken dat wisten we al. We wisten ook al dat de concurrentie onder de Chinese jeugd heel erg groot is.Wat ik niet geloof is dat het zonder meer kopiëren van de Chinese aanpak hier kan werken. Bettine Vriesekoop vertelde in haar boek ‘Bij de Chinees’ dat menig Europese tafeltennis-topper slechter presteerde na een langere trainingsstage in China. Zij denkt dat dit komt omdat zelfs deze toppers de basisvaardigheden nog niet hadden. Ook de compleet andere benadering, waarmee vooral tafeltennis-robots worden gemaakt, zorgt niet altijd tot betere resultaten door  een westerse speler/speelster. Niet gehinderd door enige formele opleiding op dit gebied, zie ik dat het onze kinderen vaak niet lukt om op de baan te laten zien wat zij kunnen. Dat zij in beslag worden gehouden met andere gedachten die afleiden van datgene waarmee ze op dat moment bezig zijn, namelijk een wedstrijd spelen. Mijn Chinese collega’s vinden de mate waarin je je kan concentreren een van de belangrijkste dingen die je succes bepaalt. Ik ben dat met hen eens. Dat de Chinese benadering leidt tot internationale topprestaties bewijst alleen dat deze aanpak bij een aantal spelers succes oplevert. De kans dat uit zo’n grote groep spelers toppers komen is natuurlijk groot. Maar het bewijst naar mijn mening niet dat een andere, meer persoonlijke benadering niet tot evenveel resultaat leidt. Wat ik zeker weet, is dat China zich opmaakt voor een groot aantal gouden medailles voor badminton tijdens de Olympische Spelen 2008 in Beijing. De voetbalwedstrijden worden niet in Beijing gespeeld, maar in Shanghai. Ik denk dat het dan wel weer tijd is om naar zusterstad Shanghai te gaan! Samengevat: Het geheim…………….er is geen geheim!Noot redactie: Richard de Visch Eijbergen is de vader van Soraya. Richard bedankt voor je meer dan interessante weergave van je belevenissen in China.Geen killersinstinct (Toon Gerbrands)Topsport kenmerkt zich door winnen en verliezen. Om te willen winnen moet je trainen én bepaalde persoonlijkheidseigenschappen hebben. Vooral bij dit tweede punt liggen de zwakheden van de Nederlander. Vraag het aan buitenlandse coaches die in Nederland werken en we worden keihard met de feiten geconfronteerd.In een artikel gaven zij een aantal typeringen van de Nederlandse topsporter: Nederlanders hebben geen killersinstinct, ze durven nooit ergens voor de volle honderd procent achter te staan, ze durven niet uit te stralen dat zij goed zijn, en ze relativeren en discussiëren heel veel.Tot zover de ervaringen van de buitenlandse coaches. Het zijn veel herkenbare zaken. Immers als een Nederlandse topsporter roept dat hij wereldkampioen gaat worden, wordt dat als arrogant gezien. De pers zal deze topsporter in dat geval zeker tot op het bot fileren. In Amerika is het heel normaal als je roept dat je de Olympische Spelen wilt halen en daar gaat strijden voor een gouden medaille. In dat land wordt falen gezien als de volgende stap naar succes. De meeste Nederlandse topsporters beëindigen gedesillusioneerd hun carrière. Tot in het bejaardenhuis wordt deze uiteindelijk traumatische ervaring meegenomen.Winnen is een houding, die intrinsiek in een sporter moet zitten. Een echte winnaar veegt ook zijn neefje van vier van het dambord. Winnen doe je altijd en niet alleen wanneer het uitkomt. Deze benadering zal veel weerstand oproepen in de ‘normale’ maatschappij. Immers in de ‘normale’ maatschappij gelden heel andere waarden, die ver afstaan van de principes van winnen, zoals: compassie, consensus, voorzichtigheid en begrip voor elkaar. Een winnaar kan hier niks mee.Om te kunnen presteren moet je de grenzen durven te zoeken. Het vervelende hiervan is dat de negatieve kanten van deze benadering niet door de maatschappij worden geaccepteerd. We willen wel de plussen zien, zoals passie en doorzettingsvermogen, maar de minnen accepteren we niet. Een echte winnaar zal namelijk ook wel eens gedrag vertonen dat de grens overschrijdt, zoals het beïnvloeden van een scheidsrechter, het uitschelden van medespelers of egoïstisch en soms asociaal gedrag. Deze minnen krijg je cadeau bij de plussen van een intrinsiek gemotiveerde winnaar.Als je de Nederlandse bevolking uitzet in een grafiek volgens het principe van de zogenaamdeGausskromme, dan bevinden topsporters zich aan de zijkant. Dit betekent dat ze niet behoren tot de gemiddelde afspiegeling van de bevolking en slechts in beperkte mate zijn te vinden. Zoek je een topsporter met winnaarinstelling, dan wordt de zoektocht nog beroerder. Een intrinsiek gemotiveerde winnaar zal zeldzaam zijn in Nederland. Voeg daarbij de negatieve eigenschappen die bij dergelijke sporters horen en het is duidelijk dat de Nederlandse samenleving hen niet kan begrijpen.Een componist wordt meestal pas na zijn dood gewaardeerd. Een winnaar valt deze eer zelfs niet te beurt. Een man als Edgar Davids valt in deze categorie; bij AZ denk ik zelfs aan Barry van Galen, over wie iedereen een mening heeft. Ik ken slechts één winnaar, die ook nog als positief door de Nederlanders wordt ervaren, en dat is Pieter van den Hoogenband. Voor hem is op deGausskromme zelfs geen plaats. Maar ook voor hem dreigt de hoon, als hij een keer geen tijd heeft om een handtekening te zetten. Nederlanders begrijpen de winnaar niet!* Toon Gerbrands speelde lange tijd een hoofdrol in de top van het nationale mannenvolleybal, als clubcoach en als bondscoach. Ook op het gebied van topsportmanagement heeft hij ervaring opgebouwd, met zijn werk als directeur van de DSB schaatsploeg en als directeur algemene zaken van voetbalclub AZ.  Uitleg van de dynaband oefeningenVoorbeeld van een kracht/coordinatie training1 a 2x per week het onderstaande programma thuis uitvoeren (afhankelijk van de inhoud van de rest van je trainingsweek, dus te overleggen met je trainer)Beenspieren3 series, 20 herhalingen kniebuigen3 series, 15 herhalingen uitvalpas (links en rechts)3 series, 12 herhalingen, hurksprongenRompspieren3 series, 25 herhalingen, rechte crunch (buikspieren)3 series, 20 herhalingen, schuine crunch3x20 seconden “planken” (steunen op ellebogen en tenen)3 series, 10 herhalingen, super(wo)manSnelheid (agility oefeningen)voeten voor-voor achter-achter, 3 series van 15 secondentwee voeten voor achter springen, 3 series van 15 secondensnelle wisselsprong, 3 series van 15 secondenjumping-jacks, 3 series van 15 secondenArmen3 series opdrukken, 70% van het maximum aantal herhalingen dat je zelf kuntDe exacte inhoud van bovenstaande training is afhankelijk van leeftijd, getraindheid, motivatie, doelgroep. Dus niet zomaar kopieren, maar nadenken over de doelstelling van de training. InzetHet lijkt een herhaling en dat is het eigenlijk ook. Eén van de voorwaarden om topsporter te kunnen zijn en blijven is: leven voor je sport. Voor jeugdspelers valt dat niet altijd mee, want ze moeten ook nog naar school, en hebben ook nog te maken met andere hobby’s, vrienden en vriendinnen. Toch komen topspelers op jonge leeftijd al snel voor een keuze te staan (vaak samen met de ouders): Wil ik alles er uit halen en wat moet ik daar dan voor doen en voor laten. Enkele eisen:hard trainenadviezen van je trainer opvolgentijd nemen voor je studie, maar er ook rekening mee houden dat topsport niet altijd samengaat met topstudie (alhoewel er een heel aantal topsporters zijn die ook een topstudie hebben afgerond of die de studie nog volgen)tijd nemen voor andere hobby’s, maar niet ten koste van je “topsport”. Goed overleg met jezelf, je trainer en je ouders kan helpen om een goede balans te vinden. Af en toe iets anders dan je eigen sport, kan de “geest” fris houden.topsport kost tijd: rusten, trainen, reizen, wedstrijden in competitie en toernooien, etc. Al op jonge leeftijd ben je gauw 5-6 dagen op de een of andere wijze met badminton bezig. Topsporter wordt je ook niet wanneer je maar 3-4 dagen met je sport bezig bent, althans: geen wereldtopper. Overleg met je trainer hoe je je traingstijden en -momenten zo goed mogelijk kunt invullen.Tenslotte: baantraining moet leuk zijn (mag je eisen van je trainer), maar moet wel gericht zijn op het steeds beter worden en willen worden. Dat betekent dat je tijdens de training de concentratie op moet kunnen brengen om 100% te kunnen presteren/trainen. Op het TTC en JTC in Geldorp wordt hierop het komende seizoen strakker en strenger geselecteerd.Kortom: Topsport kost je iets, maar je krijgt er ook heel veel voor terug. En het kan toch ook niet zo zijn dat we straks alleen nog maar spelers naar Nederland gaan halen die voor ons op de Olympische Spelen hun best doen, we hebben toch zelf ook voldoende talent en motivatie in huis om de top te halen?! Training en inzetInternationale Topsport is slechts voor weinige sporters weggelegd. Sporters zien vaak niet duidelijk hoeveel energie ze moeten steken in het trainen om ooit die top te kunnen halen. Vele factoren bepalen of je de top haalt. Veel van die factoren kun je niet beinvloeden (trainers, ouders, weersomstandigheden, ongeluk, e.d.), maar een aantal factoren kun je ook wel beinvloeden. De belangrijkste factor is het vinden van de optimale balans tussen training en rust.In Nederland is het voor veel badmintonners niet eenvoudig om voldoende trainingsbelasting te krijgen. En als je al voldoende belasting krijgt, heb je vaak nog te maken met meerdere trainers, en wordt het lastig om de belasting van de verschillende trainingen op elkaar af te stemmen. De tip luidt dan ook: Wijs als speler (badminton is vooral een individuele sport) indien nodig een trainer aan die jouw programma bepaalt (indien een bond of steunpunt dat niet voor je doet) en in de gaten houdt. Zorg daarnaast voor voldoende trainingsuren (in en buiten de zaal), indien dat niet voor je geregeld wordt. Training die je bijvoorbeeld prima zelf kunt uitvoeren zijn de fysieke trainingen aan de hand van een programma van je trainer.De ervaring leert dat veel sporters wel genoeg talent hebben, maar een gebrek aan wil en inzet om het talent om te zetten in topprestaties (“training is te vroeg”, “trainer is niet goed”, “de bond regelt niet”, “communicatie is niet goed”). De klagers zijn meestal de spelers die de top net niet hebben gehaald of gaan halen. Training en overbelastingZeker in deze fase van het seizoen ligt overbelasting van spelers op de loer. In de perioden waarin gepiekt moet worden (nationale jeugdkampioenschappen) is de balans tussen belasting en belastbaarheid van spelers wel eens zoek. Overbelasting herken je o.a. aan:kleine blessures en pijntjes (aan bijvoorbeeld pezen en gewrichten)speler kan zich slechter concentrerenspeler maakt regelmatig onnodige fouten tijdens het trainen/wedstrijdenspeler ziet bleek, transpireert meerspeler slaapt slechter, is meer geirriteerd, eet slechtDe meest eenvoudige oplossing is: RUST. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat een speler helemaal niet mag trainen, maar wel met een veel lagere intensiteit. Of gewoon even niet badmintonnen, maar fitnessen of iets dergelijks. Vaak wordt door trainers vergeten dat RUST een belangrijk element van training is. De zogenaamde supercompensatie (positief effect op de belastbaarheid na een intensieve training of trainingsperiode) plaats vindt tijdens een fase van RUST. Het grootste probleem is echter dat RUST voor elke speler heel erg specifiek is. Training is daarom ook vooral KUNST, naast KUNDE. Voor de trainer betekent dit o.a.: veel praten met de speler, ouders en eventuele andere trainers; kijken naar de spelers; trainingsplan maken voor hele seizoen (wanneer pieken, wanneer intensief trainen, wanneer rustig trainen, wanneer meer kracht, wanneer meer techniek, etc); spelers testen (matig presteren bij een test wordt mogelijk veroorzaakt door overbelasting). Rugklachten en trainingVan belang voor je rug is een goede zogenaamde rompstabiliteit. Daartoe is het voor de topsporter van belang om veel aandachtte besteden aan kracht- en coördinatietraining van je rug- en buikspieren. Om je benen en armen zo goed mogelijk te kunnenbewegen, vormt je romp de basis. Indien je daaraan onvoldoende aandacht besteed, is de kans op blessures groter. Op het Steunpunteisen we van alle spelers dat ze dagelijks minimaal 1x een blok oefeningen doen gericht op het verbeteren van de rug- en buikspieren.Een voorbeeld van een blok van dergelijke oefeningen:25x rechte buikspier (ruglig, knieën gebogen)20x bruggetje met één been (ruglig, billen van de vloer tillen)25x schuine buikspier, zowel links als rechts (ruglig, 1 been gestrekt omhoog)1x serie opdrukken (50% van het aantal dat je maximaal kunt)20x schuine knipmes, zowel links als rechts (ruglig)10x 3 sec superman (buiklig)Bovenstaande oefeningen 2 of 3 series uitvoeren ’s ochtends of ’s avonds. Deze oefeningen zijn eenvoudig thuis uit te voeren,op de training kijken we tijdens de training en met behulp van testjes of de training naar wens wordt uitgevoerd. Training en energieEnergiesystemenOm te kunnen badmintonnen heeft het lichaam energie nodig. Er wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende energiesystemen,waardoor spieren in het lichaam hun werk kunnen verrichten bij het slaan, lopen, springen, etc.alactische anaerobe energievorming: energie wordt gevormd uit stoffen in het lichaam, zonder dat er zuurstof nodigis. De activiteiten die hiermee mogelijk worden, kunnen slechts 10-20 seconden worden volgehouden. Alactisch betekent dater geen melkzuur vrijkomt, een stof die mede verantwoordelijk is voor een vermoeidheidsgevoel.lactische anaerobe energievorming: energie wordt gevormd zonder zuurstof en er komt een stof vrij (melkzuur) diezorgt voor vermoeidheid. Die vermoeidheid treedt op na 10-20 seconden (bij maximale inspanning).aerobe energievorming: energie wordt gevormd met zuurstof. Deze energievorming komt pas op gang na 1-2 minuten. Indiende inspanning te groot wordt gaat dit weer over in anaerobe energievorming, waardoor melkzuur vrijkomt. Bij deze energievormingwordt gebruik gemaakt van koolhydraten of vetten (marathonlopers bijvoorbeeld).Uit allerlei onderzoeken blijkt dat badmintonners vooral gebruik maken van de eerste vorm van energie: alactisch, anaeroob.De meeste rally’s duren immers niet langer dan 10 seconden. Tussen de rally’s door wordt de energievoorraad weer aangevuld.De andere twee vormen van energievorming zijn wel van belang. Een totale wedstrijd duurt immers veel langer dan 10 seconden.Alle energiesystemen kun je trainen/verbeteren. De eerste train je vooral door met een hoge inspanning van korte duuroefeningen te doen. De tweede train je door deze oefenvormen net iets langer vol te houden (15-30 seconden). De laatste trainje door inspanning van nog langere duur. De ideale combinaties van deze trainingsvormen zijn afhankelijk van o.a. de speler,tactiek, getraindheid, tijd van het seizoen en het oog van de meester (de trainer). Knieklachten (info van Hans van Kuijk, sportarts)Meest voorkomende klachten:springers knie: klachten aan onderste puntje van je knieschijf. Komt veel voor ten gevolge van overbelasting bij veel moetensprinten, springen, van richting moeten wisselenhardlopers knie: klachten aan buitenzijde knie, bij “knobbel”. Een pees gaat steeds over deze knobbel en kan mogelijk klachtenveroorzaken.Patello-femoraal pijnsyndroom: pijn op, onder of rondom je knieschijf. Dit is deels erfelijk, maar ook bepaald door bijvoorbeeldoverstrekte knieën, X-benen of naar binnen gezakte enkels.Bij bovengenoemde klachten kun je vaak een 4-tal fasen onderscheiden waarin de klachten optreden:beetje last, bij het begin van bewegenbeetje last, bij begin van sportenlast tijdens het sportenlast tijdens het sporten maar ook in rustBehandelingop tijd aandacht voor klachten (fase 2 en 3 proberen te voorkomen)zorgen voor goede balans tussen belasting en belastbaarheid en veel aandacht voor techniek- een patella-bandje of kniebrace of beter schoeiselaanpassen van lichaamshoudingverbeteren van belastbaarheid van je lichaam (kracht, coordinatie, lenigheid)Knieklachten die veroorzaakt worden door de groei, komen vaak niet meer terug indien ze eenmaal over zijn. Drankjes (info van Hans van Kuijk, sportarts)De mens is te vergelijken met een machine. De spieren zijn de motor, bloed en vaten vormen de brandstofleiding en het hartis de brandstofpomp.Tot de brandstoffen behoren:KoolhydratenSuikers (fruit, vruchtensap, sportdrank)- zetmeel (brood, pasta, aardappels)VettenEiwitten (bouwstoffen van spieren, liever niet gebruiken als brandstof)De suikers zijn snel beschikbaar en opneembaar, maar minder gezond. Zetmeel is minder snel opneembaar, maar wel gezonder.Vocht is belangrijk bij presteren. Zodra je 1 a 2% vocht verliest (ca. half liter) wordt je prestatie minder, dus moetjevocht regelmatig aanvullen. Vocht verlies je vooral door te zweten. Bij prestaties langer dan 45 minuten, moeten ook de brandstoffen worden aangevuld. Tijdens inspanning kun je het beste snel opneembare brandstoffen (suikers) nemen. Liever drinken dan etendus. De snelheid waarmee suikers worden opgenomen wordt bepaald door de concentratie Koolhydraten. Ideaal is: 60-80 koolhydraten per liter vocht.Koolhydraten aanvullen:tijdens inspanning: drankje met 60-80 koolhydraten per liter vocht (snelle brandstoffen)na inspanning: snel goede koolhydraten aanvullen (dus zetmeel, bijvoorbeeld de zogenaamde snack: rijpe banaan, ontbijtkoek,ligakoek, sultana, eierkoek, steeds in combinatie met water)dus geen wortels/komkommers e.d.Voorbeelden van dranken:Achter elk drankje staat: Koolhydraten//Energie(Kilojoules)//Energie(Kilocalorien)AA High Energy—165//2810//670Extran Energy—151//2550//600Dubbel Fris—100//1790//420Extran Fresh—79//1310//310Limonade siroop(1/10)—79//1310//310Dubbel Fris light—32//590//140Coca Cola light—0//8//2Op basis van bovenstaande kun je dus zelf je keuze maken. Tijdens inspanning dus het liefst Extran Fresh of Limonade siroop.

COACH’S NOTEBOOK – Take note of this!

BY  TJITTE WEISTRA  –  – DECEMBER 7, 2010POSTED IN: COACH’S NOTEBOOK

img_0178

Why do some coaches make notes behind the court and others don’t? Are coaches who take notes better (organised) than those who don’t?

By Tjitte Weistra, Badzine Columnist.   Photos: BadmintonPhoto

I think there are a variety of reasons behind the first question and the answer to the second question is probably very straight forward and that is that you can obviously not judge the quality of coaching by whether somebody is taking notes behind the court or not. The reasons behind why some take notes and others don’t range from simple personal preference to more in-depth reasons such as one’s learning style and a player’s preference of how they like to be coached and what their learning style is. The whole learning style debate is quite interesting and one I recently wrote an essay on as part of my Human Resource studies at Waikato University here in Hamilton, New Zealand. I will come back to the learning style theory shortly.

coach-england-02-eng-yl-olympicgames2008

Personally I’m not much of a “note-taker” when behind a court coaching. The game nowadays is very fast and I prefer to give my full attention to the game and not get “distracted” by having to write things down. In saying that, there are times when I deliberately take notes because there is a specific objective for doing so. Often this is because I want to show the player I’m coaching some important information which I have not been able to really put across in previous occasions just by talking/explaining. This will usually come on the back of a period in which I have been trying to make a player aware of a certain tactical aspect of his/her game or an opponent’s game which hasn’t clicked (yet).

Taking notes is very closely related to one’s preferred learning style but for some coaches it could be a simple way of dealing with their nerves. Having something “to do” behind the court can help control those anxious moments and having something written down on paper can certainly help to ensure that you put across the key things in the 60-second or 2-minute intervals especially if nerves get in the way of remembering what you want to say.

coach-china-03-chn-rs-chinaopen2009

Most athletes have a combination of “Kinesthetic” and “Visual” as their preferred learning styles which simple means that they learn best by “doing” and “seeing” but there certainly are the odd ones that just understand things quicker and better by seeing it written down or drawn on paper (“Reading / Writing”). The learning style preferences do bring us to some interesting things to consider. The first one is that “Audio” (listening), which completes de “VARK” learning style model, is not often a preferred learning style of players but most of what we do when coaching is talk; hence, the players are always listening to us. We coaches talk during training.  We talk during games.  We talk a lot! Have you ever caught yourself saying “I’ve told you that a million times, why don’t you get it?”? Perhaps we should ask ourselves the same question. Why does the player not get it? Do we just label this player dumb or stupid or should we ask ourselves whether we have managed to put across the information the right way? Could showing those players notes or drawings help?

We see this tool being used a lot in team sports where tactical positioning is very important but we don’t see it used a lot in badminton. I guess it is a fair question to ask that if players cannot “see” the things that are happening on the court whether such a player has the ability to perform at a high level but exploring with different ways of passing on key information is a good thing to do.

coach-dim_1249

Some coaches have a very strong preference themselves for reading and writing so those coaches will most of the times make lots of notes when coaching as it helps them to organise their thoughts and to store key information better before going on court to communicate those thoughts. One could then, of course, also ask the question whether coaches who have a strong preference for reading and writing can be good coaches because the visual and kinesthetic aspect of coaching is huge. Being able to see what is happening quickly and demonstrating the required skill during training is a major advantage (Next month’s topic: Do good players make good coaches?).

The real aim of this article is to once again get you thinking about a certain aspect of coaching and whether you could revisit the way you capture and store information for yourself and how you put across information to players. Are you trying to consciously be aware of how your players learn best and what your own learning style is are do you think it is irrelevant and players will get the message regardless?





COACH’S NOTEBOOK – Managing teams at multi sport events

door Tjitte WeistraOur columnist, veteran international coach Tjitte Weistra, takes a look this month at how to manage a team – as a coach – which is preparing for a big multi-sport event, like the recent Commonwealth Games or the upcoming Asian Games. They are, like the Olympics, very different competitions than the usual tour. In terms of pressure. Expectations. Temptations. Here are Tjitte’s advices.

By Tjitte Weistra, Badzine Columnist.   Photos: BadmintonPhoto

This topic is a hard nut to crack as it so situational and there is not one right approach. You should not expect to find any black and white answers in this article about how to manage a team. Managing Badminton teams at a multi-sport event is a real challenge but a very exciting one. When coaching/managing such a team for the first time one comes away with a wealth of new experiences which will stimulate new learning and usually leaves one hungry for more, much more. The added atmosphere of being surrounded by other coaches and athletes from other sports in a setting which most players and coaches dream off, creates this surreal experience which you often do not capture until you get back to reality and you realise that you actually have to start paying again for your own food J

The Olympics is the best known example of a multi-sport event in which Badminton participates but there are quite a few more events such as Asian Games, Pan American Games and the Commonwealth Games. For many countries these games are more challenging in terms of management as they feature a team event as well where the Olympics is just individual. Team events often mean bigger teams of players are being taken away to whereas the Olympics, for most countries, means only one or very few players are representing a country which makes the management challenge in terms of logistics a lot easier.Team atmosphere…

The question that I will try to answer in this article is how a healthy team atmosphere can be enhanced and which challenges we face by trying to achieve the optimal team culture for best performance of the players. Let me start by saying that the best teams are usually managed by people who have extensive experience in taking away teams. Multi-sport events are quite different in set up and approach that previous experience can make a big difference. So what is the main challenge we face? Is it the logistics? Is it the distractions that multi-sport events bring (other athletes, famous athletes, opening ceremony, family members and friends that are present at the games, watching other sports, amount of free food available etc.)? Or, is the challenge we face exactly the same as for any other (team) event being the fact that we deal with individual players, different characters and different behaviour of player which often makes it very hard to “gel” a team? Players are often very selfish and so they probably should be if they want to make it to the top but this can cause challenges which cannot be addressed once a team has arrived at an event, worse when it is a multi-sport event because of all the additional factors that may cause distractions to the team or individual players. It requires extensive planning and preparation and expectations for the team and players individually need to be set out clearly before departure and need to be built into the preparation programme.Crucial – the planning and the logistics

I will try and answer the above questions based on my own experience. A crucial factor in making a multi-sport event a success is the planning and preparation of the coach(es) and manager(s) that will lead the team. I’m not talking about the players’ technical, physical, tactical and mental preparation which is of course very important. I will assume in this article that this is being taken care off. Coaches and managers need to have a clear understanding of who has what responsibilities. There is nothing worse for players during multi-sport events when it is obvious that the communication and coordination between coaches and managers is showing cracks. There is a lot to manage during these events especially because of the link to the National Olympic Committee who will require constant information and updates from each sport and who are the key people to approach when you require support. Managers will, for example, need to attend regular meetings with their countries NOC.

The logistics during the Games can, for the majority of the time, be sorted out prior to departure as most information with regards to schedules of play, accommodation and venue can be found on Games website and through your NOC. Arranging practice courts can be completed prior to arrival in the village so usually the only things to quickly address upon arrival are transport schedules to training and competition venues and familiarising the team with the village facilities.Distractions ? Do’s and don’ts

The distractions are probably the biggest issue to deal with as team managers and coaches. Although players know they come to perform they will feel individual or peer pressure to explore the Games as much as possible which can lead to interference with their performance, often without realising it themselves. Key here is to address all possible distractions with the players before leaving and again upon arrival in the village. Players need to understand the distractions that they will face and how they need to cope with these although without previous experience the Games environment can simply be overwhelming. The solution for dealing with the distractions is to set clear guidelines/rules around do’s and don’ts. It is recommended that the players play a significant part in setting these guidelines to create buy-in and accountability. The Games “wow” factor can be addressed by simply assuring that the team arrives early enough in the village to deal with all the new experiences so that they have settled by the time competition starts. The two main distractions that I believe or really worth giving special attention to are the Opening Ceremony and family members of players attending the Games as spectators. The first distraction only needs to be dealt with ones during the Games but the second one can be a constant distraction and point of frustration for coaches and managers. The Opening Ceremony distraction is not that hard to deal with although the decision whether to attend or not can be a very difficult one as players will always have to fight against the thought of really wanting to go to the ceremony and knowing that it might affect their performance. Badminton almost always starts on the first day of the Games due to the time it takes to complete the various events which means that most players will have to compete on the first day. Opening Ceremonies can be very tiring due to the amount of time it takes to prepare, wait, Marche and getting back to the village. If on top of that the Games are being held in a country with a very warm climate then the energy can be sucked right out of you. As the opening ceremony is always held in the evening and carries on until very late, players are usually not back until well past midnight. Upsetting sleep patterns is the last thing you probably want to do before a big performance. But, in saying all the above, there is a counter argument which for some players weighs very heavily. Attending the opening ceremony can be very motivating, it can add to the desire of wanting to perform well, it creates an adrenaline rush which can last for quite a while as it is such a fantastic experience being part of it all. The decision whether to attend or not can either be taken by the team management or by the players individually; it will depend on the management’s approach to this and the factors that they take into consideration when addressing the issue.How to deal with families

Family members and/or friends attending the Games as spectators and the possible distractions they bring need to be management quite carefully and my advice would be to start that process well before departure to the Games to avoid conflicts during the event. Every country, management team and player will have a different approach to managing this. Again, there is not a right or wrong answer. What it comes down to is ensuring that both players and management are comfortable with the arrangement made around meeting family members during the Games. It can also vary quite significantly per player in terms of how meeting family members affects their performance (positively or negatively). I would advise to discuss this with each player individually as to find out whether any of their family members will be attending the Games and what their expectation is around being able to meet them during the event. My experience is that the easiest way to deal with the distraction is to identify time-slots in your overall Games schedule which can be used by the players to meet family members and leave it up to them as to whether they wish to use those allocated times or not. This way it is easy to manage and control and everybody can organise themselves in advance and also advise their family members of the available days/times that they could possibly catch up. It is usually harder to manage interaction between players and family members at the event venue depending on the lay-out of the venue and the seating arrangements for players/teams and spectators. In the previous two Commonwealth Games it was very easy for players and spectators to physically interact which caused some difficulties as most family members will try and seek that contact and sometimes perhaps don’t realise the impact that might have on the team dynamics. To avoid such scenario’s I’m going back to a point made earlier and that is to deal with these kinds of situations before departure to the Games. Identify which players have family members going and have a meeting with both players and family members where possible to address this so everybody understands what the expectations are. If unwanted scenario’s then do pop up during the Games then you can quickly remind them of the guidelines that were put in place and usually this is sufficient to avoid any further distractions.

“If it’s good for the team… do it”

In conclusion, many factors can influence performance at multi-sport events. It is a matter of planning carefully and making sure you run through all possible scenarios and situations before departure and addressing them with players and family members travelling to the Games as supporters. Include the players in this process where possible to create understanding and buy-in. Having the expectations and guidelines clearly mapped out will enhance the team and player’s experience and help to create a healthy atmosphere within the team. Individual characteristics of players will be easier to manage and control in a team environment with clear expectations and guidelines. A saying that I personally like to use when taking away teams of players is: “If it’s good for the team, do it. If it’s not, then don’t”. With this I hope that players will make decisions which enhance the team culture and atmosphere rather than only thinking about themselves.

You can find out more on Tjitte Weistra, New Zealand’s “Mobile coach” : Mobile Coach focuses on your needs in your sport or sporting organisation ranging from hands on coaching & presenting to mentoring athletes, coach education, programme consultancy & managementClick HERE for more info